Inhoudsopgave
Wat is hartfalen
oorzaken-van-hartfalen
hartfalen-4-klassen
vormen-van-hartfalen
diagnose-hartfalen
behandeling-hartfalen
medische-ingrepen
levensverwachting
toekomstverwachting
de-hartfalenpoli
Alle Pagina's

Wat is hartfalen

Hartfalen is een ernstige chronische ziekte. Bij hartfalen is er sprake van een verminderde pompfunctie. Het hart is niet meer in staat om voldoende bloed rond te pompen. Als gevolg van de verminderde pompfunctie van het hart krijgen weefsels en organen te weinig zuurstof en voedingsstoffen. Door onvoldoende doorbloeding van de weefsels en organen gaan deze vocht vasthouden. Het lichaam is zelf niet in staat om dit overtollige vocht uit te scheiden. Hierdoor ontstaan allerlei klachten.

De meest voorkomende klachten zijn?

  • Vermoeidheid, geen fut hebbenVermoeidheidsklachten (bron: Medtronic)
  • Weinig inspanning kunnen verrichten
  • Kort van adem zijn
    • bij inspanning
    • alsook in rust
  • Een opgeblazen gevoel en een moeilijke stoelgang
  • Weinig eetlust en toch in gewicht toenemen
  • Dikke voeten en/of enkels doordat men vocht vasthoudt
  • Vaak onrustig slapen
  • Veel 's nachts uit bed moeten om te plassen
  • Prikkelhoest, vooral als men plat ligt
  • Vergeetachtigheid
  • Moeilijk kunnen concentreren

Oorzaken van hartfalen kunnen zijn:

Hartinfarct

De belangrijkste oorzaak van hartfalen is het doormaken van een hartinfarct. Als gevolg van het doorgemaakte hartinfarct sterft een deel van de hartspier af. Daar vormt zich littekenweefsel. Een deel van de pompfunctie gaat door dit afsterven verloren. Het goede deel van het hart kan door een hartinfarct overbelast raken omdat het extra hard moet werken om het verloren gegane deel te compenseren. Ook kunnen door het doorgemaakte infarct de hartkamers uitzetten.

Hartklepafwijkingen

Er kan sprake zijn van een vernauwde hartklep waardoor er minder bloed langs kan stromen of een lekkende hartklep waardoor een deel van het bloed weer terug stroomt. Als gevolg van deze afwijkingen moet het hart harder werken om het bloed door het lichaam te pompen. Overbelasting van het hart is het gevolg. Sommige hartklepafwijkingen zijn aangeboren, andere afwijkingen ontstaan als gevolg van een infectie van de bekleding van het hart of door een hartinfarct. Hartklepafwijkingen kunnen ook het gevolg zijn van veranderingen die samenhangen met het ouder worden.

Cardiomyopathie

Dit is een ziekte waarbij het hart abnormaal vergroot of verdikt is. Als gevolg van deze verdikking en/of vergroting kan de hartspier minder goed bloed rondpompen.

Hoge bloeddruk Bloeddruk

Als gevolg hiervan is er een continue overbelasting van het hart door de hoge druk waar het hart tegenin moet pompen. Hierdoor wordt de hartspier dikker, stijver en minder soepel. De pompkracht van het hart neemt hierdoor af.

Hartritmestoornissen

Hierbij kan sprake zijn van een langdurig te snel, te langzaam of onregelmatig hartritme. Een hartslag van boven de 100 slagen per minuut noemt men een tachycardie en een hartslag die onder de 50 slagen per minuut ligt noemt men een brachycardie. Voorbeelden van ritmestoornissen door een te snel hartritme zijn onder andere het boezemfibrilleren, hierbij verloopt de prikkeloverdracht van het hart chaotisch en het boezemfladderen, waarbij het hart maar liefst tot 300 keer per minuut samentrekt.

Myocarditis

Dit is een ontsteking van de hartspier. Er wordt van idiopathische myocarditis gesproken als de oorzaak van de ontsteking onbekend is. Hartspierontsteking kan worden veroorzaakt door virussen, bacteriën, parasieten en schimmels. Deze aandoening kan uiteindelijk leiden tot hartfalen.

Toxische stoornissen

Hiermee bedoelen we hartfalen als gevolg van overmatig alcohol en/of drugsgebruik. Ook chemotherapie kan een negatieve invloed hebben op de hartspier waardoor de pompfunctie van het hart afneemt. Men weet inmiddels dat bepaalde cytostatica het risico op hartschade verhoogt. Cytostatica zijn medicijnen die de groei van kankercellen remmen en/of kankercellen doden. Ook bestralingen vlak bij het hart kunnen uiteindelijk resulteren in hartfalen. Vaak komen complicaties als gevolg van chemo en/of radiotherapie pas vele jaren later aan het licht. Het is belangrijk om symptomen behorend bij hartfalen vroegtijdig te onderkennen omdat deze dan nog goed te behandelen zijn.


Hartfalen 4 klassen

Bij hartfalen zijn afhankelijk van de klachten een viertal klassen te onderscheiden:

  • Klasse 1: is het beginstadium van hartfalen. In deze klasse worden er eigenlijk nauwelijks klachten waargenomen
  • Klasse 2: er zijn klachten zoals kortademigheid wanneer men zich flink inspant
  • Klasse 3: bij geringe inspanning ondervindt men al klachten
  • Klasse 4: dit is het eindstadium van hartfalen. Zowel in rust als bij lichte inspanning heeft men klachten zoals kortademigheid

Bij alle klassen zijn hartritmestoornissen en vocht in de longen de grootste risico's.


Vormen van hartfalen

Er zijn twee vormen van hartfalen. De ene vorm is het systolisch hartfalen. Hierbij wordt er door het hart minder bloed uitgepompt omdat de hartspier minder krachtig samentrekt. De andere vorm staat bekend als diastolisch hartfalen. Hierbij ontspant de hartspier zich niet goed tijdens de fase van rust. Het gevolg is dat het hart zich niet goed kan vullen met bloed waardoor het per slag onvoldoende bloed uitpompt. Bij de mannen zien we vooral het systolisch hartfalen. Deze vorm van hartfalen wordt veroorzaakt door ischemisch hartlijden (vernauwingen in de kransvaten). Het is de meest voorkomende oorzaak van hartfalen. Bij vrouwen is er veelal sprake van diastolisch Hartfalen hartfalen.


Diagnose HartfalenStethoscoop

Hoe komt men er nu achter dat u hartfalen heeft? Meestal is de eerste weg een bezoek aan uw huisarts. Naar aanleiding van uw klachten en een lichamelijk onderzoek kan deze besluiten om u door te verwijzen naar een ziekenhuis. U krijgt daar te maken met een reeks aan onderzoeken. Deze onderzoeken zijn nodig om ook daadwerkelijk de diagnose hartfalen te kunnen stellen. Hartfalen bestaat namelijk uit een complex aantal symptomen. Deze symptomen vloeien voort uit een hartziekte (bijvoorbeeld een hartinfarct). Deze hartziekte heeft een verminderde pompfunctie tot gevolg.

Met behulp van een aantal verschillende onderzoeken kan een arts de ernst en veelal de oorzaak van uw hartfalen vaststellen.ECG

Hartfilmpje (ECG)

Bij een bezoek aan de arts wordt er in principe altijd een hartfilmpje gemaakt. U mag uw bovenlichaam ontkleden en op een bed plaats nemen. De hartfunctielaborant plakt een aantal stickers op uw borstkas. Deze stickers zijn verbonden met een monitor en registreren uw hartslag. De hartfunctielaborant maakt een printje van uw hartslag en laat deze beoordelen door de arts. Daarna gaat de arts u onderzoeken. Met een stethoscoop luistert de arts naar uw hart. De arts probeert zo te achterhalen of er aanwijzingen zijn voor hartklepafwijkingen of dat er sprake is van vocht in de longen. Verder bekijkt de arts of u dikke benen of een dikke buik heeft. Dit zou kunnen duiden op het vasthouden van vocht. Daarnaast voelt de arts of de lever is opgezwollen en meet uw bloeddruk.

Bloedonderzoek

In het laboratorium van het ziekenhuis worden een aantal buisjes bloed van u afgenomen. Door middel van dit bloedonderzoek worden een aantal waarden bepaalt. Eén van die waarden is de BNP-bepaling. BNP staat voor Brain Natriuretic Peptide. Dit is een eiwit en wordt door spiercellen in de hartkamers afscheiden als de hartkamers lange tijd onder verhoogde druk staan. Indien het BNP-gehalte in het bloed laag is kan men met enige zekerheid zeggen dat er geen sprake is van hartfalen. Is het BNP-gehalte hoog dan zal er aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden naar hartfalen.

Röntgenfoto van hart en longen

Dit wordt ook wel thoraxfoto genoemd. U dient uw bovenkleding uit te trekken waarna er een röntgenfoto van de borstkas wordt gemaakt. De arts kan dan zien of het hart enigszins vergroot is en of er sprake is van vocht in de longen. Vocht en een vergroting van het hart kunnen duiden op hartfalen.

Echo van het hart

Een echocardiografie is een onderzoek met behulp van ultrageluidsgolven. U dient in een wat donkere kamer plaats te nemen op een bed met een ontbloot bovenlichaam. Op de borst brengt de hartfunctielaborant een gelei aan. Dit kan een beetje koud aanvoelen. Vervolgens beweegt de laborant, met een apparaatje, over uw borst. Dit apparaatje zendt geluidsgolven uit en vangt deze ook weer op. Het resultaat verschijnt op een monitor. De echo duurt meestal niet langer dan een half uur en is geheel pijnloos. U mag indien u dat wenst zelfs meekijken.

Inspanningsonderzoek

Dit onderzoek wordt gedaan om te kijken of uw hart tijdens inspanning voldoende bloed en dus zuurstof krijgt. Er zijn twee soorten onderzoeken: de fietstest en de loopbandtest. Deze test duurt ongeveer een half uur. U krijgt elektroden op de borst geplakt zodat men het hartritme tijdens de inspanning kan volgen. Vervolgens gaat u, afhankelijk van de keuze van de arts, fietsen of wandelen. Tijdens het fietsen wordt iedere minuut de zwaarte opgevoerd en u dient de teller op de fiets op een bepaald getal te houden (bijvoorbeeld 60). Bij de loopband gaat iedere drie minuten de band iets omhoog, net alsof u op een helling loopt. Voor beide onderzoeken geldt dat u de inspanning zo lang mogelijk dient vol te houden.

Scan van het hart met isotopen

Isotopen zijn stoffen die tijdelijk radioactieve straling uitzenden. Met dit onderzoek brengt men het bloed in het hart en de grote bloedvaten in beeld. De radioactieve stof (isotoop) wordt via een ader in de bloedbaan gespoten, waarna speciale camera's foto's maken van het hart. Dit onderzoek kan zowel liggend, zittend of terwijl u op een loopband loopt plaatsvinden. Het hele onderzoek kan wel een paar uur in beslag nemen en is betrekkelijk veilig. Er treden vrijwel nooit bijwerkingen op en de hoeveelheid straling tijdens dit onderzoek is te vergelijken met die van een röntgenfoto. Een isotoop is geen contrastmiddel, de kans op een allergische reactie is daarom niet aanwezig.

Hartkatheterisatie

Er wordt via een bloedvat (bijvoorbeeld in de lies) een slangetje (catheter) ingebracht. Deze catheter kan door de bloedvaten heen naar het hart worden geschoven en maakt het mogelijk om de bloeddruk en de zuurstofspanning in het hart te meten doordat deze verbonden is aan meetapparatuur. Ook kan men vloeistof door deze catheter inspuiten zodat vernauwingen en afsluitingen van kransslagaders en aders middels een röntgenfoto zichtbaar worden. Bij een hartkatheterisatie wordt u opgenomen in het ziekenhuis. Afhankelijk van uw situatie kan dit een opname zijn van een dag of enkele dagen.

Slokdarmecho

De arts kan door middel van dit onderzoek meer gegevens krijgen over uw hart. De keel wordt verdoofd. Dit gebeurt door het vernevelen van een verdovende vloeistof in de keel. Vervolgens krijgt u een infuusnaaldje. In dit infuusnaaldje wordt een vloeistof gespoten, dat zorgt ervoor dat u een beetje slaperig wordt (roesje). U ligt op uw zij en de arts brengt via uw mond een slang naar de aorta. Deze slang is niet dikker dan een vinger. Er wordt meerdere malen aan u gevraagd of u wilt slikken zodat de arts de slang stukje bij beetje verder kan schuiven. Het inbrengen van de slang belemmert totaal niet uw ademhaling. Met behulp van hoogfrequente geluidsgolven (ultrageluid) kan de arts uw hart en de aorta (grote lichaamsslagader) bekijken. Het onderzoek neemt ongeveer een half uur in beslag.


Behandeling van hartfalen

Er zijn vele oorzaken die hartfalen tot gevolg kunnen hebben. Afhankelijk van de oorzaak zijn er verschillende behandelingen die ook per individu weer kunnen verschillen. De behandeling van hartfalen richt zich in eerste instantie op het zoveel mogelijk verminderen van de klachten. Het is niet altijd mogelijk om de oorzaak weg te nemen.

Medicijnen

De behandeling van hartfalen gaat altijd gepaard met medicijnen. Het gaat vaak om een combinatie van meerdere medicijnen die u een paar keer per dag op vaste tijdstippen dient in te nemen. Het innemen van deze medicijnen heeft een langdurig karakter en dienen onder andere om het vocht af te drijven, het hart te ontlasten en het hartritme te controleren.

BloedverdunnersBloedverdunners (bron: Medicalfacts)

Deze medicijnen zorgen ervoor dat het bloed minder snel stolt en voorkomen op deze manier dat er bloedpropjes ontstaan die een bloedvat kunnen afsluiten of dat stolseltjes als gevolg van hartritmestoornissen doorschieten naar de hersenen en daar een infarct veroorzaken. Er zijn twee soorten bloedverdunners: stollingsremmers en plaatjesremmers. Stollingsremmers zorgen ervoor dat het bloed minder snel stolt. Hierdoor kunnen minder gemakkelijk bloedpropjes ontstaan. Plaatjesremmers zorgen ervoor dat de bloedplaatjes minder goed hun werk doen. Bloedplaatjes zorgen er namelijk voor dat het bloed gaat klonteren. Door het gebruik van plaatjesremmers wordt ongewenste stolling zoals trombose en/of embolie tegen gegaan. Voorbeelden van bloedverdunners zijn acetylsalicylzuur (Aspirine, Ascal en Aspro), coumarine (Acenocoumarol, Marcoumar en Sintrommitis). Van patiënten die bloedverdunners als Sintrom of Marcoumar gebruiken wordt regelmatig het bloed gecontroleerd. Middels bloedonderzoek kan men na gaan of het bloed niet te dun of te dik is. Als het bloed te dun is kunnen er spontane bloedingen optreden. Is het bloed te dik dan is de kans aanwezig dat er bloedklontertjes worden gevormd. Langer nabloeden bij verwondingen en operaties is een kenmerkend bijverschijnsel als gevolg van het gebruik van dit soort medicijnen.

Cholesterolverlagers

De meest bekende en vaak voorgeschreven cholesterolverlagers zijn de statines. Statines remmen de aanmaak van cholesterol in de lever. Ze verlagen het cholesterolgehalte met 30 tot 50 %, vertragen het proces van slagaderverkalking en zorgen ervoor dat de binnenwand van de slagaders minder snel geïrriteerd raakt.

Mochten deze stanines niet tot het gewenste resultaat leiden dan kan de behandelend arts besluiten om over te gaan op andere cholesterolverlagende medicijnen. Deze medicijnen kunnen zijn:

  • Cholesterolabsorptieremmers
  • – remmen de opname van cholesterol in het lichaam. Deze medicijnen worden enkel en alleen voorgeschreven wanneer uw LDL-cholesterolgehalte (slechte cholesterol) enorm verhoogd is en andere medicijnen onvoldoende in staat zijn om dit gehalte te verlagen.
  • Galzuurbindende harsen
  • – verlagen indirect het cholesterolgehalte in het bloed doordat ze zich binden aan galzuren in de darm, waardoor deze niet meer in het bloed opgenomen kunnen worden.
  • Fibraten
  • – verminderen de hoeveelheid vet in het bloed. Bij een verhoogd triglyceridegehalte (vetgehalte) worden deze medicijnen voorgeschreven.
  • Nicotinezuurderivaten
  • – verhogen het goede cholesterol (HDL) en verlagen het slechte cholesterol (LDL). Deze medicijnen worden voorgeschreven bij een combinatie van een verhoogd LDL (slechte) cholesterolgehalte en triglyceridegehalte (vetgehalte) en een verlaagd HDL (goede) cholesterolgehalte.

Cholesterolverlagers die vaak worden voorgeschreven zijn onder andere: simvastatine (Zocor), atorvastatine (Lipitor) en rosuvastatine (Crestor). De bijwerkingen van deze medicijnen kunnen onder andere klachten als brandend maagzuur, obstipatie, diarree, duizeligheid, misselijkheid, hoofdpijn en huiduitslag geven.

Medicijnen die het hartritme beïnvloedenMedicijnen

Betablokkers

Betablokkers verlagen de hartslag, de bloeddruk en verminderen de zuurstofbehoefte van het hart. Voorbeelden van betablokkers zijn: Bisoprolol, Carvedilol, Metoprolol en Nebivolol. Van deze medicijnen is aangetoond dat ze op de langere termijn een gunstig effect hebben. Betablokkers kunnen bijwerkingen geven zoals een lage bloedruk, hartslag, duizeligheid en soms korter van adem zijn. De volgende betablokkers worden aan patiënten voorgeschreven: metoprolol (Lopresor, Selokeen), tenormin (Atenolol, Tenormin) en atenolol/chloortialidon (Tenoretic).

Digoxine

Is een geneesmiddel bij hartfalen. Het medicijn vergroot de pompkracht van het hart en verlaagt het hartritme. In de meeste gevallen wordt Lanoxin voorgeschreven. Verminderde eetlust, misselijkheid, pijn in de onderbuik en/of diarree, vermoeidheid, slaperigheid, wazig zien, langzame of onregelmatige hartslag, rusteloosheid, verwardheid en een depressief gevoel kunnen mogelijke bijwerkingen van dit medicijn zijn.

Anti-aritmica

Zijn geneesmiddelen om hartritmestoornissen te behandelen. Ze beïnvloeden de prikkelgeleiding en/of de prikkelbaarheid van de spiercellen in het hart. Daardoor vertraagt de hartslag en wordt deze weer regelmatig. sotacor (Sotalol), cordarone (Amiodarone) en tambocor (Flecainide) zijn voorbeelden van Anti-aritmica. Trillingen of tintelingen in handen of voeten, wazig zien, huiduitslag, diarree, verstopping, duizeligheid, hoofdpijn, verminderde eetlust en een bittere of metaalachtige smaak worden gemeld als mogelijke bijwerkingen.

Vaatverwijders

RAS-remmers

Hier vallen de ACE-remmers en de Angiotensine II-antagonisten onder. Deze medicijnen verlagen met name de bloeddruk door de bloedvaten in de uiteinden van het lichaam te verwijden. Vaak voorgeschreven ACE-remmers zijn: Capoten (Captopril), Renitec (Enalapril), Coversyl (Perindopril) en Acupril (Quinapril). Ze kunnen als bijwerking prikkelhoest en een lage bloeddruk geven. Angiotensine II-antagonisten zijn onder andere Diovan, Atacand, Micardis en Cozaar. Een lage bloeddruk kan een neveneffect van dit medicijn zijn. Ace-remmers kunnen bijwerkingen hebben zoals kriebelhoest, hoofdpijn, misselijkheid, diarree, vermoeidheid en smaakverlies.

Nitraten

Zetten de bloedvaten open waardoor het hart gemakkelijker bloed kan rondpompen. Doordat de aders, slagaders en kransslagaders als gevolg van dit medicijn verwijden laten ze meer bloed door. Het gevolg is dat de bloeddruk daalt.

Minitranpleister, Deponitpleister, Nitrodermpleister, Monocedocard, Promocard, Cedocard, Isordill en Nitrolingualspray zijn vaak voorgeschreven Nitraten. Waar de pleister kleeft kan de huid rood en pijnlijk worden. Duizeligheid bij het omhoog komen, hoofdpijn en blozen zijn mogelijke bijwerkingen van de hierboven beschreven medicijnen.

Calciumantagonisten

Worden vooral gebruikt bij de behandeling van kransslagaderverkalking. Ze zorgen ervoor dat het hart voldoende zuurstof krijgt doordat ze de werking van Calcium remmen. Door deze remmende werking kunnen de spiercellen in de bloedvaten minder goed samentrekken. Het hartritme wordt hierdoor vertraagt en het gevolg is dat de kracht van de hartslag vermindert.

Voorbeelden van calciumantagonisten zijn medicijnen als amalodipine (Norvasc), nifedipine (adalat OROS), nicardipine (Cardene), barnidipine (Cyress) en verapamil (Isoptin). Klachten van vermoeidheid, misselijkheid, diarree, hoofdpijn, duizeligheid, obstipatie, blozen of opvliegers kunnen veroorzaakt worden door het gebruik van deze anatgonisten.

Plasmedicatie

Diuretica

Dit zijn plasmiddelen. Ze voeren overtollig vocht af via de urine waardoor men vaker naar het toilet moet. Daarom wordt veelal geadviseerd om dit medicijn bij voorkeur 's ochtends, in plaats van, 's avonds in te nemen omdat u anders een aantal keer per nacht uw bed uit moet om te gaan plassen. Het gebruik van plasmiddelen zorgt ervoor dat er extra vocht wordt afgedreven waardoor het bloedvatensysteem minder gevuld raakt. Hierdoor daalt de bloeddruk.

Er zijn zwak werkende plasmiddelen zoals Thiaziden. Ze hebben een gering vochtafdrijvend effect. Sterk werkende plasmiddelen zoals Bumetanide (Burinex) en Furosemide (lasiletten, Fusid) . Deze hebben een snelle en krachtige werking en kaliumsparende plasmiddelen die slechts een beperkt ontwaterend effect hebben. De kaliumsparende plasmiddelen worden voorgeschreven als er in het lichaam een te laag kaliumgehalte dreigt te ontstaan. Deze medicijnen worden bijna altijd in combinatie met een ander plasmiddel voorgeschreven. Amiloride (Amiloride/Hydrochloorthiazide, Moducren), Spironolacton (Aldactone) en Trimatereen (Dytac, Hydrochloorthiazide) zijn voorbeelden van kaliumbesparende plasmiddelen.

Bijwerkingen van diuretica kunnen zijn: hoofdpijn, licht gevoel in het hoofd, duizeligheid, dorst, buikpijn, diarree, lage bloeddruk spierkrampen vooral in de benen en jicht.


Medische ingrepen

Biventriculaire pacemaker of CRTGeimplanteerde pacemaker (bron:heart.co.il)

Een pacemaker is een apparaat dat het menselijk hart dient te ondersteunen. Door middel van kleine stroomstootjes, op één plek in de rechter kamer, wordt het hart door de pacemaker op gang gehouden. Patiënten krijgen een pacemaker als het hart niet voldoende of te langzaam klopt. De biventriculaire pacemaker of CRT (Cardiac Resynchronization Therapy)-pacemaker wordt vooral geplaatst bij patiënten met hartfalen die zich in klasse III of IV bevinden waarbij de ejectiefractie (hoeveelheid bloed dat het hart kan wegpompen) onder de 35 % ligt. De ejectiefractie bij een gezond hart ligt op 60 %.

Bij hartfalen is veelal de linker hartkamer vergroot. Als gevolg van deze vergroting kunnen de beide hartkamers niet meer tegelijk (synchroon) samentrekken wat bij een gezond hart wel het geval is. Het samentrekken van de linkerkamer duurt langer dan van de rechter hartkamer, daardoor is de hartslag minder krachtig en kan het hart minder bloed weg pompen. Het gevolg is een hart dat zwabbert. De biventriculaire pacemaker of CRT kan er voor zorgen dat het hart minder zwabbert en meer gelijkmatig samentrekt. Dit kan uiteindelijk een positieve invloed hebben op de contractiekracht van het hart en de pompfunctie.

Bij ongeveer 70 % van de patiënten die voor de biventriculaire pacemaker of CRT in aanmerking komen leidt het implanteren tot een verbetering van de conditie en een afname van de kortademigheid. Daarnaast ziet men een verbetering ten aanzien van de levensverwachting.

ICD of Biventriculaire ICD

Sommige hartfalenpatiënten krijgen een ICD of biventriculaire pacemaker met ICD-functie. Een ICD is een inwendige defibrillator die het hart een heftige schok geeft in het geval van een levensbedreigende hartritmestoornis van de kamers. De schok dient het normale hartritme te herstellen. Tevens kan de ICD een te snel hartritme corrigeren doordat het in een korte tijd heel veel kleine stroomstootjes kan geven waardoor het te snelle hartritme wordt getemperd.

Het dragen van een ICD kan een enorme impact hebben op iemands leven. Er zijn ICD-dragers die nooit of nauwelijks een schok krijgen maar er zijn ook patiënten waarbij de ICD regelmatig moet inspringen. Meestal voelt de patiënt de schok niet doordat deze al buiten bewustzijn is geraakt. Helaas is er een categorie ICD-dragers die het afgaan van de ICD bewust meemaken. De klap die de ICD geeft als gevolg van een gevaarlijke hartritmestoornis laat menig patiënt niet onberoerd. Het kan gevoelens van angst en onzekerheid met zich meebrengen.

Voor uitgebreide informatie, lotgenotencontact en bijeenkomsten voor ICD en/of pacemakerdragers kunt u terecht bij: Guidant pacemaker

  • Stichting Pacemaker dragers Nederland (SP-dN)
  • Stichting ICD dragers Nederland (STIN)
  • Nederlandse Hartstichting
  • De Hart & Vaatgroep

Harttransplantatie

Er zijn maar heel weinig mensen die voor een harttransplantatie in aanmerking komen. Patiënten moeten voldoen aan een aantal strenge criteria. Ondanks de vele inspanningen van de Nederlandse overheid, om mensen zover te krijgen dat ze donor worden, is het aantal geschikte donorharten op jaarbasis bedroevend laag. Er gaan steeds meer stemmen op om net als in België de regel in te stellen: “U bent donor tenzij.......”.


Levensverwachting bij hartfalen

Hartfalen is een ernstig chronische ziekte, gekenmerkt door een toenemende invaliditeit, die vooralsnog niet te genezen is. De levensverwachting bij hartfalen is ongunstig. Uit onderzoek is gebleken dat van alle patiënten bij wie de diagnose wordt gesteld, ongeveer de helft na vijf jaar is overleden. Voor patiënten met ernstig hartfalen (stadium IV) is na één jaar nog maar de helft in leven. Daarnaast lijkt de prognose van geïsoleerd diastolisch hartfalen iets gunstiger dan die van hartfalen met een verminderde linkerventrikelfunctie. Hieruit kan en mag men concluderen, dat hartfalen qua sterfte vergelijkbaar is met ernstige vormen van kanker. Het is dan ook niet juist om hartfalen als een minder ernstige aandoening te zien.

Door het opzetten van een hartfalenpoli, vochtbeperking, zoutbeperking, gewichtscontrole, goed instellen op medicijnen, het implanteren van een biventriculaire pacemaker (CRT) en/of ICD en het aanbieden van een revalidatieprogramma probeert men voor patiënten hun kwaliteit van leven zoveel mogelijk te optimaliseren en de progressie van de ziekte te vertragen. Dat deze inspanningen vruchten afwerpen blijkt wel uit het feit dat voor sommige patiënten de prognose bij hartfalen iets lijkt te verbeteren, hoewel de gemiddelde prognose bij hartfalen ongunstig blijft.


Toekomstverwachting

Vanaf 2010 heeft iedere man/vrouw boven de 50 jaar ongeveer 30 % kans op het krijgen van hartfalen. Men verwacht dat elke huisarts in Nederland op jaarbasis 12 tot 18 nieuw patiënten met hartfalen in zijn praktijk zal krijgen. Daarvan heeft gemiddeld 30 % de kans dat hij of zij binnen de vijf jaar komt te overlijden. De levensverwachting bij hartfalen is dus slechter dan bij de meeste vormen van kanker. Helaas zijn heel veel mensen niet doordrongen van dit feit.

Het is onder andere aan ons als Hartfalenfoundation om het onzichtbare de komende jaren zichtbaar te maken.


De Hartfalenpoli

Dat wij in Nederland een aantal hartfalenpoli's hebben komt door de actieve inbreng van cardioloog Dr. Carolien Lucas en hartfalenverpleegkundige Ger Cleuren. Zij waren ruim tien jaar geleden de initiators van deze poliklinieken. Het idee achter de hartfalenpoli is om de arts en de verpleegkundige naast elkaar te zetten. De arts houdt zich bezig met en is verantwoordelijk voor het medische verhaal en de hartfalenverpleegkundige richt zich op follow up en andere praktische zaken aangaande de patiënt. Als verpleegkundige spreek je zowel de taal van de patiënt als die van de arts. Dat het een supercombinatie is blijkt wel uit het feit dat nagenoeg ieder ziekenhuis inmiddels een hartfalenpoli heeft waarbij de hartfalenverpleegkundige een belangrijke en onmisbare schakel is.

Werkwijze hartfalenpoli

Van uw behandelend arts heeft u te horen gekregen dat u hartfalen heeft. Naast het instellen op medicijnen en het bespreken van eventuele vervolgstappen zal de arts u ook doorverwijzen naar de hartfalenverpleegkundige. Deze verpleegkundige is heel goed op de hoogte van uw ziekte. De verpleegkundige kan een vrouw of man zijn met of zonder witte jas aan. Dit verschilt per ziekenhuis en hartfalenpoli. U krijgt het telefoonnummer van deze verpleegkundige mee naar huis en kunt hem of haar bellen op een tijdstip dat u schikt om een afspraak te maken. Heeft u er behoefte aan om uw partner, kinderen of ouders mee te nemen dan is dit geen enkel probleem. De verpleegkundige is er niet alleen voor u, maar ook voor de mensen die heel dicht bij u staan. Hartfalen heeft u niet alleen. Het heeft een belangrijke impact op het gezin en het vraagt niet alleen van u maar ook van uw directe omgeving de nodige energie en aanpassingen. U gaat samen met uw gezin en de verpleegkundige voor een betere kwaliteit van leven. Dit kunt u niet alleen, daar heeft u toch de steun van het thuisfront voor nodig.

Een eerste gesprek

In het eerste gesprek zal de verpleegkundige informeren hoe het met u gaat en uitleggen wat de ziekte precies inhoudt en welke oorzaken daaraan ten grondslag hebben gelegen. Een belangrijke vraag vanuit u en uw dierbaren kan zijn: “hoe nu verder?”. De hartfalenverpleegkundige heeft heel veel adviezen waarvan uit onderzoek is gebleken dat het bijdraagt aan een betere kwaliteit van leven. Daar heeft u tenminste iets aan. Een belangrijk onderdeel van het eerste polibezoek zijn de adviezen over conditieverbetering en vocht en zoutbeperking. U krijgt een beweeg, vocht en voedingsadvies mee naar huis. Het is uitermate belangrijk om deze adviezen zoveel mogelijk op te volgen. Doet u dit niet dan ondervind u daar al heel snel de nadelen van (vocht vasthouden, benauwder worden). Daarnaast moet u zich thuis ook dagelijks wegen. Op deze manier kunt u zelf in de gaten houden hoe het staat met het vocht vasthouden. Als u bemerkt dat u iedere dag in gewicht toeneemt dan is de kans groot dat u last heeft van vocht. Het is dan raadzaam om dit gelijk telefonisch te melden aan de verpleegkundige. Hij of zij kan dan direct actie ondernemen en op dezelfde dag nog overleggen met de cardioloog die dan de vervolgstappen bepaalt (voorschrijven medicijnen etc.). Het voldoende bewegen en het eigen maken van wat u nu wel en niet mag eten of drinken vraagt in het begin wel wat energie van u en uw directe omgeving. Toch is dit een belangrijke basis voor het verdere beloop van uw ziekte.

Het kost u en uw gezinsleden in aanvang wel wat tijd om te komen tot een maaltijd die voor u passend en voor hen zeer gezond is, maar u kunt daarmee wel enigszins het beloop van uw ziekte sturen. Iets wat u allen een gevoel van controle kan geven.

Sommige patiënten en partners omschrijven het houden aan de vocht, voedings- en bewegingsadviezen als een treinreis waarvan men niet weet wanneer het eindstation daar is. Door je als gezin consequent te houden aan de leefregels probeer je zo lang mogelijk in de trein te blijven zitten en zoveel mogelijk te genieten. Het is niet altijd makkelijk maar zeker de moeite van het proberen waard. In zo'n eerste gesprek zal het u wel wat duizelen. Zoveel dingen om op te letten en aan te denken. Daarom krijgt u alle informatie van de verpleegkundige mee naar huis. U kunt het dan nog eens rustig nalezen.

Aanspreekpunt

De hartfalenverpleegkundige is voor u en uw partner het eerste aanspreekpunt. Indien nodig overlegt zij of hij met de cardioloog. De cardioloog blijft uw behandelaar en daar gaat u gewoon ook op controle. De hartfalenpoli is een aanvulling op de behandeling van de cardioloog en komt hier niet voor in de plaats. Wel is het zo dat de verpleegkundige een aantal medische handelingen bij u verricht zoals het opnemen van uw bloeddruk, het bekijken van uw gewicht, luisteren naar uw longen, voelen aan uw buik en kijken naar uw benen. Dit alles gebeurt om vast te stellen of u onder andere last heeft van vocht. De resultaten van dit soort onderzoekjes worden altijd teruggekoppeld aan de behandelend arts. De hartfalenverpleegkundige is iedere dag, op vaste tijdstippen, telefonisch bereikbaar. Mocht u om wat voor reden dan ook de hartfalenverpleegkundige niet telefonisch kunnen bereiken en met een dringende vraag zitten stel u dan in verbinding met de poli cardiologie van het ziekenhuis waar u onder behandeling bent. Zij kunnen de verpleegkundige vragen om u zo snel mogelijk terug te bellen.

Concreet betekenen?

Wat kan de verpleegkundige nu concreet voor u betekenen? Een heleboel! Hij/zij is er niet alleen om u adviezen te geven op het gebied van bewegen, vocht, voeding of u een luisterend oor te bieden. De verpleegkundige kan u ondersteunen met betrekking tot het werk, eventuele keuring of herkeuring en vraagstukken over bijvoorbeeld seksualiteit. Samen met u en de andere gezinsleden kan het inventariseren welke aanpassingen er nodig zijn in en om het huis (parkeervergunning, scootmobiel, traplift etc.) en deze voor u aanvragen of daarin bemiddelen. Mocht u dat wensen dan kan de verpleegkundige zorgen dat u in aanmerking komt voor een revalidatie, dat u terecht kunt bij een diëtist, een psycholoog of het maatschappelijk werk. Schroom ook niet om bij dit soort zaken de hulp van de hartfalenverpleegkundige in te schakelen. De verpleegkundige is er voor u en weet dat domme vragen absoluut niet bestaan!

Het beloop van uw ziekte valt of staat mede door uw eigen motivatie en die van anderen. Inzicht verkrijgen over wat er met u aan de hand is en het op een verstandige manier aanpassen van uw leefwijze en leefomstandigheden daarop kunnen uw kansen en mogelijkheden zeer zeker ten goede komen.